Laat ik maar meteen met de deur in huis vallen: deze week ging over ruimte. Niet zomaar ruimte — maar die diepe, alles-doorstromende soort.
Die je voelt in je lijf, in je adem, in je hele systeem. Die je niet maakt, maar die komt — als je doorvoelt, huilt, ademt, wandelt, zwijgt, afstand neemt, opnieuw bekijkt en anders vastpakt.
En precies die ruimte kwam er. Tussen het verdriet, de verwarring, de stilte en het zand.
Blijkbaar was dat nodig. Want deze week was… intens. Mooi. Verdrietig. Verwarrend. Vol. Stil. Alles. In lagen.
Het begon met Lies.
Ze was al een tijdje aan het loslaten. En afgelopen maandag werd het definitief. En ook al wéét ik dat de dood onderdeel is van het leven, het moment zelf raakt altijd meer dan woorden aankunnen. Het besef dat iemand er niet meer fysiek is, dat resoneert dieper dan welke klankschaal ik deze week ook heb aangeslagen. En geloof me, er zijn er nogal wat aangeslagen.
En ergens in die rauwe rouw zat ook iets zachts. Iets wat me herinnerde aan hoe belangrijk het is om ruimte te nemen. Ruimte voor verdriet. Voor stilte. Voor betekenis.
De klankschalen, een viltklopper en … de parkeerplaats
Hemels, op zijn tijd. Helse herrie, op andere momenten.
(Disclaimer: dat ligt niet aan de schalen. Dat lag ook niet zozeer aan de gebruiker of de intentie. Het lag vooral in mijn reactie op dat wat in trilling werd gebracht. Of toch ook wel een beetje de gebruiker…)
Want wat nou als je daar staat met je zorgvuldig gekozen schaal en je probeert jezelf in te trillen in een veld van resonantie, en iemand anders denkt dat het een goed idee is om de gong van het einde der tijden los te laten op jouw frequentie? (vast niet intentioneel maar dat was wel het effect).
Juist. Dan voel je, althans ik, dus geen ruimte. Dan voel ik overprikkeling, frustratie en een lichte drang om iemand liefdevol met een vilten klopper naar de parkeerplaats te bonjouren.
Maar goed. De ruimte kwam uiteindelijk wel. In de vorm van een diepe, alles-doorstromende sessie. Mijn eerste echte behandeling met klankschalen. En oh, jongens… wat een ontdekking.
Ik wéét dat ik mensen kan aanraken — energetisch, fysiek, intuïtief.
Maar dit… dit voegde iets toe wat ik nog niet kende.
Alsof er een puzzelstukje op z’n plek viel. Ik raakte haar aan met klank.
Soms letterlijk — met de schaal op haar buik.
Soms via woorden, adem, intentie.
En het werkte.
Alsof alles wat ik tot nu toe geleerd had… samenkwam.
Magie. Mijn soort magie.
Julianadorp… Toen en Nu
Ik heb daar gewoond, weet je nog? Een paar jaar geleden liep ik daar nog met Tobi in de ochtendmist, de wind door mijn haren, hyacinten geur in mijn neus, een hoofd vol ruis en mijn hart was stil. Deze week was ik er weer. Terug op oude paden. Langs mijn oude huis. De tuin was een jungle geworden, het hekje verdwenen, de magie deels vervlogen.
Maar de ruimte was er nog. De lucht. De weidsheid. De stilte tussen de vogels door. En de zee… de zee met haar eeuwige getij. Ze nam wat mee. Verdriet. Emotie. Onrust. En ze gaf me ruimte terug. En rust. En een traan. Of twee. Of drie. Maar wie telt er nou als je op het strand zit met een Ankh in je hand?
Tussen verlangen en vertrouwen.
Soms voel ik me leeg. Soms barstensvol. Soms opgeladen. Soms alsof ik mezelf bij elkaar moet rapen van de keukenvloer met een energetische spatel.
Soms mis en denk ik terug aan Julianadorp ook al weet ik: dat was niet mijn plek om te blijven. Maar het wakkerde wel iets aan. Een verlangen, ik voelde het ook in de bossen van Frankrijk.
Naar ruimte. Naar een plek in de natuur. Misschien ooit een huis in het bos — Frankrijk, wie weet — een plek waar ik mensen mag ontvangen. Waar ik mijn magie mag delen.
Het voelt nog ver weg. En toch leeft het al in mij.
En dat maakt me soms ook onrustig: mag ik verlangen naar meer, als ik nog niet helemaal ben waar ik wil zijn?
Maar misschien is dat het wel.
Misschien kun je tegelijk tevreden zijn met wat er is, en verlangen naar wat nog meer mag ontstaan.
En intussen…
Intussen staat er iets te poppelen om de wereld in springen, bijna klaar om te vliegen. Omdat ik weet dat het klopt. Dat ik dit te doen heb. Dat mijn sessies, mijn manier van werken, mijn aanwezigheid, mensen Ãets geeft. Soms iets ongrijpbaars. Maar altijd iets echts. En omdat er zoveel ‘meer’ in zit!
Ondertussen blijf ik mezelf eraan herinneren: het hoeft niet perfect. Het hoeft alleen maar echt te zijn.
Intussen probeer ik mijn eigen ruimte serieus te nemen. Er lopen intense processen. En Tobi’s, trouwens ook. (Hoewel ik me bij hem soms afvraag of zijn ruimte niet gewoon de hele wereld is. Liefdevolle, onbesuisde enthousiasteling van me.)
Dus hier ben ik…
Met een hoofd vol herrie en een hart vol klanken.
Met een diepe moeheid én een stiekeme glundering van binnen.
Met verdriet om Lies, dankbaarheid dat ik toch 2,5 jaar van haar heb mogen leren, dankbaar voor vriendinnen, verwondering over mijn eigen kracht en een milde afkeer van alles overstemmende vibraties (die me eigenlijk alleen maar leren nog beter bij mijn eigen frequentie te blijven).
En met ruimte. Voor alles wat er is.
Ruimte voor groei. Voor twijfel. Voor vertrouwen.
Voor mezelf.
Want daar begint het. Altijd.
En daar kom ik altijd weer terug.
🌀