Wat zou je dan nu doen? Wat voor werk, met welk doel, en met welke doelgroep zou je (willen) werken?
In dit artikel schrijf ik over het verband tussen een opmerking die mij diep raakte. Over aanraking bij (C)-PTSS, mijn eigen gemis en de manier waarop juist dat gemis uiteindelijk mijn grootste kracht is geworden..
Ik had het in eerste instantie niet eens in de gaten. Want tja, ergens is dat ook wel wat ik altijd zo geleerd heb in opleidingen e.d. En ik begrijp het ergens ook wel. Wat diegene bedoelde dan tenminste, met mijn hoofd. Wat mijn systeem me ook jaren verteld had. De goedbedoelde, maar niet afgestemde aanraking die mij op slot kan laten slaan, me kan laten verkrampen omdat mijn systeem nog geneigd is gevaar waar te nemen dat er niet echt meer is. Ik weet het, ik ken het en ik herken het. Maar ik weet inmiddels ook beter.
Toch bleef de opmerking sluimeren. Het triggerde iets in me dat het er fundamenteel niet mee eens is: “dat mensen met CPTSS niet aangeraakt willen worden.” Mijn hele lichaam reageerde erop.
Het gemis van veilige aanraking.
Een van mijn vroegste herinneringen kwam weer bovendrijven. Een van mezelf, een jaar of 4/5, leunend tegen de slaapkamerdeurpost. Mijn moeder op bed, met een kind huilend op haar schoot. Haar vasthoudend, knuffelend en troostend, onder de herhalende woorden: ‘Het spijt me zo.’
En terwijl ik daar stond, vroeg ik me af: “Waarom doe je dit nooit bij mij?”
Ik weet wat er vlak daarvoor is gebeurd. Ik had dat zelf al vaak meegemaakt. Maar die, in mijn ogen (of welke andere liefdevolle) warme, troostende woorden en handelingen, die heb ik nooit gekregen. Althans ik herinner ze me niet.
Mijn moeder en ik hadden, op zijn zachtst gezegd, een complexe relatie. Om verschillende, nog complexere en begrijpelijke redenen had ze een onvermogen om met mij een veilige, geborgen, liefhebbende, verbindende relatie te hebben. Of om met haar eigen onvermogen, emoties en leven om te gaan. Wat zich o.a. uitte in losse handjes. Ik neem het haar niet meer kwalijk.
Toen ik op mijn 27e volledig psychisch en fysiek (fibromyalgie) vastliep, ging ik mijn eerste intensieve behandeltraject in. Ik kreeg mijn eerste (van vele) diagnose: PTSS a.g.v. vroegkinderlijk jeugdtrauma en borderline kenmerken, (een DSM-diagnose vergelijkbaar met de huidige ICD-11-diagnose C-PTSS).
Mijn jeugdherinneringen zijn lang ‘verborgen’ gebleven. Nog steeds heb ik er maar weinig van vroeger. Maar als ik iets gemist heb in mijn ontwikkeling, is het een veilige, onvoorwaardelijke, liefdevolle aanraking en verbinding met mijn moeder.
Iemand bij wie ik onvoorwaardelijk mezelf kon en mocht zijn, zonder oordeel. Iemand die de verbinding met mij aan kon gaan en mij kon leren om die op een ‘gezonde’ manier ook met anderen aan te gaan. Dat is voor mij een ontbrekend fundament geweest in mijn verdere leven.
Willen mensen met C-PTSS echt geen aanraking of….
Het is volgens mij dus helemaal niet zo dat mensen met (C)PTSS niet aangeraakt willen worden. Ik durf zelfs te stellen dat er juist vaak een fundamenteel en diepgeworteld verlangen is naar veilige aanraking. Want is het niet zo dat aanraking één van de belangrijkste relationele vormen is waarmee een kind veiligheid, regulatie en verbondenheid ervaart, om een breder patroon van afgestemde en veilige menselijke verbinding te kunnen ontwikkelen? Alleen is dat juist één van de fundamentele behoeftes geweest waar nooit aan voldaan is, omdat omstandigheden, conditioneringen en het overlevingsmechanisme hier geen ruimte voor gaven.
In mijn praktijk merk ik namelijk juist vaak dat er een diep verlangen naar aanraking is. Maar dat het vooral om de soort aanraking gaat, de oprechtheid, de afstemming, het tempo, de geborgenheid en de geboden veiligheid die voelbaar moet zijn. Een verlangen om uit het hoofd en op een veilige manier in verbinding met het eigen lichaam te komen. Om uit de overlevingsmodus te komen.
Van grootste gemis, naar grootste kracht.
Eerlijk is eerlijk, tot op de dag van vandaag gebeurt het nog. Dat mijn zenuwstelsel onveiligheid ‘denkt’ waar te nemen die er niet is. Dat ik mezelf heel even brace bij een aanraking of een knuffel, voordat ik me erin kan ontspannen. Wanneer ik mag ontvangen in plaats van aanstaan of te geven. Dit betekent alleen niet dat ik geen aanraking wil. Maar dat ik even mag her-kalibreren. En doordat ik bewust geleerd heb om terug in verbinding met mijn lichaam te komen, kom ik steeds sneller en gemakkelijker uit die hyperalertheid. Niet door te vermijden, maar door het aan te gaan.
Door een veilige, rustige plek te creëren voor vrouwen. Waar ze weer in verbinding met hun lichaam en zichzelf mogen komen. Waar ze zonder vaststaand protocol, op hun eigen tempo, afgestemd en op eigen voorwaarden, door middel van verschillende technieken en methoden, hun ware lichaamstaal leren voelen en spreken.
En zo heb ik van mijn grootste gemis, mijn grootste kracht weten te maken.
Liefs
Carmen